Aangepast zoeken

Gedichten

Muziek

 

De mondharmonica

Met een grappig, ernstig snuitje,
Handjes om het instrument
En twee lipjes, ijverig zoekend
naar de tonen, die ze kent.
Blaast Marieke, blond, klein meisje,
En probeert, een simpel wijsje.

 

Maar harmonica bespelen
valt haar toch vooreerst niet mee.
Moet de melodie naar boven,
gaat haar toon juist naar bene,
Maar met ’t vingertje geheven
zegt ze: ’t lukt wel, wacht maar even!

 

En het mondje glijdt al vlugger
langs de gaatjes heen en weer.
Nu eens piept ze als een vogel
dan weer bromt ze als een beer,
vreemde klanken, vals doorheen
gaan een mens door merg en been!

 

Maar al drukken wij de oren.
Na een smeekgebaar stijf toe,
’t muzikantje blijkt maar spelen,
wordt het oefenen niet moe.
En ’t gezichtje straalt verrukt
als haar liedje bijna lukt!

 

Kalmer blaast en zuigt nu ’t mondje,
meer en meer raakt ze vertrouwd
met het blinkend instrumentje,
waar ze al beter wijs op houdt.
En tenslotte speelt Marieke
zuiver ’t fijne melodietje.

 

Marieke

soliste

De soliste

Het kleine meisje met de blauwe ogen
zit ernstig, kaarsrecht op de ronde kruk.
En telt met wijze aandacht met haar hoge,
ijle sopraangeluid de maat van ’t stuk.

 

Zij is pas negen jaar, maar voelt zich groot,
wanneer zij ferm een zwaar akkoord omspant.
Of als er hier en daar een lage noot
Een brombeertoon geeft aan de linkerkant.

 

Zij is niet bang, als er “heel langzaam”staat.
Maar als de gang van ’t stuk opeens versnelt,
dan hapert zij soms even voor de maat,
hoe goed zij ook de noten heeft geteld.

 

Tegen het einde wordt haar aanslag krachtig.
Hieruit spreekt heel haar jonge temperament.
Dan kijkt zij in de spiegel, zegt: ’t was prachtig!
En buigt ook voor het oude instrument.

 

Vioolconcert van Beethoven

Nu vloeien, zoet en zuiver,
rondom mijn moegedachte hoofd
en als een weldaad voel ‘k het naderen
van troost, die lang mij was beloofd.

 

De strakke snaren zingen trillend
Een lied van schoonheid, leed en gloed
En iedere noot is rood en donker
Als droppelen van hartenbloed.

 

Ze rijen zich aaneen, die klanken,
Zo koel,  zo rond, zo transparant
En glijden als granaten snoeren
Zacht in mijn opgeheven hand.

 

En dan weer is ’t of tranen vallen
langsheen een moe, verstild gelaat,
Doch het zijn tranen van verlossing,
Waar ’n glimlach in weerspiegelen gaat.

 

viool