Aangepast zoeken

Gedichten

Kind

 

Voor de “lastpost” uit m’n klas

Jan, je bent zo vaak een kruis,
De plaag van bijna alle dagen.
Je smijt pardoes de vree tot gruis
En kan niet lang de stilte dragen.

Je plaag weegt vaak zo knellend zwaar,
Dat ik voor eeuwig je wil bannen.
Maar maakt mijn banbul je dan klaar?
Ik vraag om takt en goede plannen.

Je bent m’n last en toch m’n vriend,
Die zich door tact wellicht laat winnen.
Je hebt vandaag een pluim verdiend.
Geef mij je hand. Wij móéten winnen!

 

afbeelding

afbeelding

Het kindje

Waar het kindje slaapt
Is het al weer goed:
Samen toegedekt
Liggen ziel en bloed;
Alle duist’re daden in het huis bedreven
Vonden in een wiegelied vergeven.

Pop en blokken staan
Stil en maneblank
In het open raam
Op de vensterbank;
Blij dat God weer zonder wrevel kan beminnen
Kijkt de vriendelijke maan naar binnen.

Mijn koninkrijk

Zó droomde ik mijn koninkrijk:
Een kleine, intieme woning.
Daar wonen wij, mijn lief en ik,
En hij, hij is er koning!
Zijn lach is wet, zijn kus is wil,
Hijzelf een soeverein,
En ik de kleine onderdaan,
Die slechts zijn lief wil zijn!
Een kinderbox, dat is de plaats,
Van Majesteit mijn zoon…
Het is een simpel koninkrijk,
De plaats waarop ik woon!

 

 

 

afbeelding

 

afbeelding

 

Van een kind

Het lachen van een kind dat nog niet praten kan,
en van een mens, die niet meer spreken kan, de snik:
van al de tussen ’t een en ander ogenblik
dreunende menigten en van de bontgekleurde
beelden, die men aanbad en schond, wat komt er, dan
een wiegenkind, dat lacht alsof er niets gebeurde…

In deze wereld is dit alles tegelijk
en nooit vervuld; maar ergens in mijzelf wordt
eens Londen, gelijk Babylon, uiteengestort;
dan kom ik, strompelend over de puinen, later,
naar waar ik een kind zie in een klein en eeuwig rijk
van ademend gras en van een boom en levend water.

 

 

Zeeschelpen

Blauwe, bruine, blanke schelpen,
glad en ruw ligt door elkaar,
soms vertrapt door grote mensen;
’n kinderhandje grijpt ernaar.

Grote en klein gestreepte schelpen
in een mengeling dooreen
en de bruisend wilde branding
gaar er klotsend overheen.

Schoon gewassen liggen zij er
bij miljoenen aan het strand,
als de franje van de golfslag
uitgespreid in ’t vochtig zand.

 

 

afbeelding

 

 

afbeelding

Moeder

Ogen, die stralen naar ’t teer roze wiegje,
ogen, die lachen naar ’t kindje zo kleen,
ogen, die zeggen: ik zal voor je waken;
zó  kijken moeder ogen alleen!

Handen die werken; handen die brengen
je veilig voor ’t eerst naar de schoolbanken heen;
Bezige, helpende, troostende handen,
zó zijn de handen van moeder alleen!

En word je groter en kijk je bewuster
naar ’t leven en streven om je heen,
Dan is ’t haar stem, die waarschuwt en raad geeft;
zó praten kun je met moeder alleen!

Een hart, dat steeds denkt: voor jou wil ik ’t beste;
dat deelt in je blijdschap, dat meelijdt in smart;
dat bidt voor een mooie gelukkige toekomst;
zó is van binnen een moederhart!

“Moeder, ik verlaat wel -ouder geworden-
jou en je huis, dat is ’t aloude lied.
Maar, lieve moeder, jouw ogen en handen,
jouw stem en je hart, die vergeet ik niet!”